ECLI:NL:CRVB:2018:1944
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid volledige arbeidsongeschiktheid voor IVA-uitkering
Werkneemster is sinds 7 juli 2010 arbeidsongeschikt vanwege spier-, pees- en gewrichtsklachten en heupdysplasie. Het UWV kende haar aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Na medische herbeoordelingen stelde het UWV op 11 juni 2015 vast dat zij volledig arbeidsongeschikt was, maar niet duurzaam.
Appellante verzocht om herbeoordeling, stellende dat werkneemster op die datum wel duurzaam arbeidsongeschikt was en dus recht had op een IVA-uitkering. De rechtbank oordeelde dat het UWV dit voldoende had gemotiveerd en dat de medische situatie op 11 juni 2015 niet duurzaam was vanwege lopende behandelingen met mogelijke verbetering.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt, onder meer omdat werkneemster later (per 26 januari 2017) wel een IVA-uitkering kreeg. De Raad overwoog dat de beoordeling van duurzaamheid moet worden gemaakt op de datum in geding en dat latere ontwikkelingen niet relevant zijn. De Raad bevestigde dat het UWV de duurzaamheid op 11 juni 2015 terecht heeft beoordeeld als niet aanwezig, mede gelet op het behandelplan en de medische rapporten.
De Raad wees het verzoek tot benoeming van een deskundige af en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat werkneemster op 11 juni 2015 niet duurzaam arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een IVA-uitkering op die datum.