ECLI:NL:CRVB:2018:1950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende toename arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds een verkeersongeval in 2005 lichamelijke en psychische klachten heeft, vroeg om een herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA. Het UWV had in 2008 vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. In 2015 verzocht appellant om herbeoordeling vanwege vermeende toegenomen beperkingen en een WSW-indicatie.
Het UWV handhaafde het eerdere besluit, stellende dat de functionele mogelijkheden van appellant niet waren afgenomen sinds 2007. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de beperkingen gering waren en dat de WSW-indicatie onvoldoende medische onderbouwing bood. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad stelde vast dat alle klachten waren betrokken, het psychisch onderzoek beperkt was en de WSW-beoordeling niet vergelijkbaar was met de WIA-beoordeling. Er was geen aanleiding om het medisch oordeel te betwijfelen, waardoor het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.