ECLI:NL:CRVB:2018:1991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor aanschaf auto voor vervoer ernstig ziek kind
Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de aanschaf van een passende auto om haar ernstig zieke minderjarige zoon naar ziekenhuizen in België te vervoeren. Eerder verstrekte het college een speciale autostoel op grond van de Wmo, maar een aanvraag voor een vervoersvoorziening werd afgewezen omdat de autostoel niet paste in de nieuwe auto.
Het vervoer van de zoon per taxi wordt sinds januari 2014 vergoed door de zorgverzekeraar op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het college wees de aanvraag om bijzondere bijstand af omdat de Zvw een voorliggende, toereikende en passende voorziening is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelt appellante dat het taxi-vervoer niet voldoet omdat de speciale autostoel niet in de taxi kan worden bevestigd en haar zoon vanwege medische redenen deze stoel nodig heeft. De Raad oordeelt dat de Zvw en het Besluit zorgverzekering (Bzv) inderdaad een voorliggende voorziening vormen en dat appellante zich bij klachten over de kwaliteit van het vervoer tot de zorgverzekeraar moet wenden.
De Raad bevestigt daarom de afwijzing van bijzondere bijstand en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de aanschaf van een auto voor het vervoer van het ernstig zieke kind wordt bevestigd.