ECLI:NL:CRVB:2018:2023
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellante, geboren in 1995, diende in november 2013 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen omdat zij in staat werd geacht meer dan 75% van het minimumloon te verdienen. Een herhaalde aanvraag in juni 2014 werd eveneens afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond en oordeelde dat de aanvraag als herhaalde aanvraag moest worden gezien, waarbij geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die het eerdere besluit konden wijzigen. Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door zich uitsluitend op schriftelijke stukken te baseren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. Ook het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarin nieuwe diagnoses zoals ADHD en borderline persoonlijkheidsstoornis werden genoemd, leidde niet tot een andere beoordeling. De functionele mogelijkhedenlijst en de arbeidsdeskundige rapportage bevestigden dat de eerdere beoordeling passend bleef.
De Raad vond geen aanleiding om het bestreden besluit als evident onredelijk te beschouwen en bevestigde daarom de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-aanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.