Werkneemster was sinds 4 maart 2011 ziek gemeld met spanningsklachten en werd door het UWV als volledig arbeidsongeschikt erkend. Het UWV weigerde echter een IVA-uitkering en kende haar een WGA-uitkering toe, omdat volgens een verzekeringsarts bezwaar en beroep de arbeidsbeperkingen niet duurzaam waren vanwege vermeend inadequaat herstelgedrag en vermijding van behandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de prognose onzeker was en dat verbetering niet kon worden uitgesloten. In hoger beroep betoogde appellante dat de arbeidsongeschiktheid reeds duurzaam was, onderbouwd met medische rapporten en eerdere jurisprudentie.
De Raad oordeelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte heeft aangenomen dat werkneemster verwijtbaar behandeling zou vermijden. Uit de medische stukken blijkt juist langdurige en intensieve behandeling zonder verbetering. Er was sprake van een reeks van jaren van volledige arbeidsongeschiktheid, waarbij geen verbetering op langere termijn te verwachten was.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank, herroept het besluit van het UWV en bepaalt dat werkneemster vanaf 20 juni 2015 recht heeft op een IVA-uitkering. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten en vergoedt het griffierecht.