ECLI:NL:CRVB:2018:2029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eerste arbeidsongeschiktheidsdag en duurzaamheid arbeidsongeschiktheid in Ziektewet en Wet WIA
Appellante, een uitzendorganisatie en eigenrisicodrager voor de Ziektewet, betwistte dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van werknemer juist was vastgesteld op 6 mei 2013 en voerde aan dat werknemer vanaf 28 juli 2010 doorlopend arbeidsongeschikt was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante onvoldoende medische gegevens had overgelegd om dit te onderbouwen en bevestigde dat werknemer vanaf zijn indiensttreding op 1 december 2012 tot de eerste ziekmelding op 22 januari 2013 heeft gewerkt.
Daarnaast werd beoordeeld of de arbeidsongeschiktheid van werknemer duurzaam was in de zin van de Wet WIA. De Raad volgde het oordeel dat er nog behandelmogelijkheden waren met een redelijke kans op verbetering, waardoor een IVA-uitkering terecht werd geweigerd en een WGA-uitkering werd toegekend.
Verder werd vastgesteld dat het UWV een motiveringsgebrek had in een van de besluiten, waardoor de rechtbank ten onrechte het UWV niet in de proceskosten had veroordeeld. De Raad veroordeelde het UWV daarom alsnog in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht aan appellante werd vergoed.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, vernietigde de uitspraak voor zover het proceskosten betreft en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de juiste vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de weigering van de IVA-uitkering, en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellante.