ECLI:NL:CRVB:2018:2033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van studiefinanciering als middel bij bijstandsverlening onder de WWB
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en later de Participatiewet, terwijl appellante studiefinanciering ontving volgens de Wet studiefinanciering 2000. Het college herzag de bijstand en vorderde terugbetaling wegens het niet meenemen van het studiefinancieringsinkomen van appellante als middel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de rentedragende lening als middel moet worden beschouwd, ongeacht het feitelijke gebruik. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat zij niet redelijkerwijs over de volledige lening konden beschikken en dat de lening bedoeld was voor studiekosten, niet voor levensonderhoud.
De Raad oordeelde dat het college het normbedrag uit de Wsf 2000 als inkomen moest aanmerken, omdat dit een dwingendrechtelijke bepaling is. Het feit dat appellante niet de volledige leenmogelijkheid gebruikte, doet hieraan niet af. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het bevoegdheidsgebrek bij de Commissie Sociaal Domein wordt gepasseerd omdat het college het besluit bekrachtigde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat het volledige normbedrag studiefinanciering als middel wordt meegeteld bij bijstandsverlening.