Uitspraak
16.2344 WIA
2 maart 2016, 15/7369 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als inpakster in een Wsw-dienstverband en meldde zich ziek met elleboogklachten. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering stelde het UWV vast dat zij niet arbeidsongeschikt was, gebaseerd op medische en arbeidsdeskundige rapporten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische beoordeling zorgvuldig was en de beperkingen niet wezenlijk waren gewijzigd sinds een eerdere Wsw-herindicatie.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen onderschat waren, met name haar armklachten en psychische kwetsbaarheid, en dat intensieve begeleiding nodig is voor werk in het vrije bedrijf. De Raad oordeelde echter dat de medische beoordeling juist was, geen neurologische verklaring voor de armklachten was gevonden en appellante in staat werd geacht haar maatgevende arbeid te verrichten.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat appellante niet arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA en dat het UWV terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.