ECLI:NL:CRVB:2018:2104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving verplichtingen
Appellant ontving voor 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van het Zorgkantoor, maar voldeed niet aan de verplichtingen omtrent verantwoording en zorgovereenkomsten. Het Zorgkantoor stelde het pgb lager vast en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug. Tevens werd het pgb per 1 december 2014 ingetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde met het argument dat de belangenafweging onevenredig was en dat hij recht had op het pgb vanwege zijn zorgbehoefte. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het Zorgkantoor terecht het pgb lager had vastgesteld vanwege het ontbreken van geldige zorgovereenkomsten en onvoldoende bewijs van betalingen.
De Raad benadrukte dat het Zorgkantoor bevoegd was tot terugvordering en intrekking van het pgb op grond van de Awb en de Regeling subsidies AWBZ. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot intrekking en terugvordering van het pgb wordt bevestigd.