ECLI:NL:CRVB:2018:2127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldig UWV-onderzoek
Appellant kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering die in 2014 werd verlaagd. In 2015 meldde hij zich ziek met psychische klachten en ontving toen een WW-uitkering. Het UWV stelde per april 2016 vast dat appellant geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij geschikt werd geacht voor ten minste één functie volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar deze werden ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanleiding was om de FML te betwijfelen. In hoger beroep stelde appellant dat zijn psychische klachten waren toegenomen en dat het UWV zijn beperkingen had onderschat. Hij verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige, stellende dat het equality of arms-beginsel was geschonden.
De Raad concludeerde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, alle relevante medische informatie had betrokken en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunt te onderbouwen. Er was geen aanwijzing dat medische informatie ontbrak of dat de beoordeling onjuist was. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.