Uitspraak
16 5443 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 1.002,-.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand en werd betrapt op het exploiteren van een hennepkwekerij en handel in verdovende middelen, zonder dit te melden. Het college legde hem een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellant stelde dat de beslistermijn van dertien weken was overschreden en dat zijn draagkracht onvoldoende was omdat hij slechts aanspraak kon maken op een deel van een erfenis.
De Raad oordeelde dat de termijn van dertien weken een termijn van orde is en overschrijding daarvan niet leidt tot verval van de bevoegdheid tot boeteoplegging. Ook werd geen reden gezien om de boete te matigen vanwege de termijnoverschrijding. Ten aanzien van draagkracht stelde de Raad dat aanspraak op een erfenis geen daadwerkelijk vermogen oplevert en dat appellant onvoldoende inzicht had gegeven in zijn financiële situatie op het moment van het boetebesluit.
Hoewel de rechtbank de draagkracht verkeerd had beoordeeld, bleef het oordeel in stand omdat appellant in hoger beroep geen objectieve bewijsstukken had overgelegd. De Raad veroordeelde het college wel tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd, ondanks overschrijding van de beslistermijn en zonder matiging wegens draagkracht.