ECLI:NL:CRVB:2018:2185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring en afwijzing aanvraag maatwerkvoorziening Wmo 2015
Appellante, met rechtmatig verblijf in Nederland en moeder van twee kinderen, heeft meerdere verzoeken ingediend voor een (tijdelijke) maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Het bestuur heeft deze verzoeken afgewezen en de daarop volgende bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat de e-mails geen besluiten in de zin van de Awb zouden zijn. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft de beroepen tegen deze besluiten niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond verklaard.
In hoger beroep betoogden appellanten dat zij wel degelijk belang hadden bij beoordeling van de besluiten en dat appellante niet in staat was zelf huisvesting te vinden. De Raad overweegt dat het niet mogelijk is om met terugwerkende kracht opvang te verkrijgen en dat appellanten geen schade hebben gesteld die procesbelang zou kunnen rechtvaardigen. Verder onderschrijft de Raad het oordeel dat appellante in staat is zelf woonruimte te vinden, mede gelet op haar rechtmatig verblijf, inkomen en de afwezigheid van belemmerende persoonlijke omstandigheden.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.