Uitspraak
16.4588 AKW, 16/5839 AKW
OVERWEGINGEN
MIJNOverheid?” in de beantwoording te betrekken.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving kinderbijslag voor zijn minderjarige broer tot het tweede kwartaal van 2014. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde de betaling vanaf het derde kwartaal 2014 wegens verblijf van de broer in Marokko en het ontbreken van een pleegkindrelatie. Betrokkene maakte bezwaar tegen de besluiten en de opgelegde boete wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het bezwaar deels niet-ontvankelijk en oordeelde dat betrokkene geen recht had op kinderbijslag over de betreffende periode. De boete werd gehandhaafd. De Svb stelde incidenteel hoger beroep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring.
De Raad oordeelde dat de elektronische bekendmaking via MijnOverheid niet rechtsgeldig was vanwege onduidelijkheid over het activatieproces en dat betrokkene niet duidelijk kenbaar had gemaakt dat hij elektronisch bereikbaar was. De Raad bevestigde dat de broer geen pleegkind was in de zin van de AKW omdat er geen nauwe en exclusieve opvoedingsrelatie bestond en het verblijf in Marokko. De herziening en terugvordering van de kinderbijslag waren daarom terecht.
De boete werd echter verlaagd van €420 naar €410,67 omdat de afrondingsregel niet meer van toepassing was. De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de boete betrof, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de Svb in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Herziening en terugvordering kinderbijslag bevestigd, boete verlaagd naar €410,67 en Svb veroordeeld in proceskosten.