ECLI:NL:CRVB:2018:2198
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging WIA-uitkering wegens termijnoverschrijding
Appellant verbleef voor langere tijd in het buitenland en maakte daardoor niet tijdig bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WIA-uitkering te beëindigen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant onvoldoende maatregelen had getroffen om zijn belangen te behartigen tijdens zijn afwezigheid.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV op de hoogte was van zijn verblijf en dat hem was toegezegd dat het besluit pas na zijn terugkeer zou worden genomen. De Raad oordeelde dat het UWV geen rechtsplicht heeft om rekening te houden met een bekende periode van verblijf in het buitenland bij de verzending van besluiten. Appellant had zelf zorg moeten dragen voor adequate postbehandeling.
De Raad bevestigde dat het niet tijdig indienen van bezwaar niet verschoonbaar is, ook niet omdat het besluit naar het Nederlandse adres werd gestuurd. De eerdere jurisprudentie ondersteunt dat de verantwoordelijkheid bij de betrokkene ligt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar bevestigd.