ECLI:NL:CRVB:2018:2260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering verlenging export WW-uitkering naar Zwitserland
Appellant verhuisde in 2012 met zijn partner naar Zwitserland en vroeg verlenging van de export van zijn WW-uitkering na de standaardperiode van drie maanden. Het UWV weigerde deze verlenging, omdat appellant geen concreet uitzicht had op werk in Zwitserland en er geen bijzondere omstandigheden waren die verlenging rechtvaardigden.
De rechtbank Amsterdam oordeelde aanvankelijk dat het UWV de weigering niet redelijk had gemotiveerd, maar bij een latere uitspraak stelde de rechtbank dat het UWV alle relevante belangen had afgewogen en de weigering terecht was. De Centrale Raad van Beroep stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van Verordening 883/2004.
Het Hof bevestigde dat lidstaten mogen bepalen dat verlenging van de export van een werkloosheidsuitkering na drie maanden in principe wordt geweigerd, tenzij bijzondere omstandigheden zoals concreet en aantoonbaar uitzicht op werk aanwezig zijn. De Raad concludeerde dat appellant niet voldeed aan deze voorwaarden, omdat hij geen intentieverklaring van een werkgever had en pas later een baan vond.
Ook de door appellant aangevoerde financiële omstandigheden en het verschil met het Duitse beleid werden niet als bijzondere omstandigheden erkend. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat het beroep ongegrond was verklaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het UWV tot verlenging van de export van de WW-uitkering wordt bevestigd.