ECLI:NL:CRVB:2018:2272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering individuele vervoersvoorziening en maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden
Appellante, geboren in 1939 en woonachtig in een eengezinswoning, heeft medische beperkingen waaronder een dubbelzijdig thoracic outlet syndroom. Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) beschikte zij over een hulp bij het huishouden (HH1) voorziening van zes uur per week en een taxikostenvergoeding. Met de invoering van de Wmo 2015 heeft het college haar aanspraken opnieuw beoordeeld.
Het college heeft bij besluit van 30 augustus 2016, na bezwaar, gehandhaafd dat appellante recht heeft op viereneenhalf uur hulp bij het huishouden per week voor 2016 en heeft de individuele vervoersvoorziening geweigerd. Dit besluit is gebaseerd op adviezen van de MO-zaak en de GGD Haaglanden, die na lichamelijk onderzoek en medische informatie van diverse specialisten tot stand kwamen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, dat zij meer hulp nodig heeft en dat zij medisch niet in staat is gebruik te maken van collectief vervoer. De Raad oordeelde dat de medische adviezen zorgvuldig zijn opgesteld en dat appellante dit niet met medische stukken heeft onderbouwd. Ook het argument over het niet kunnen gebruiken van boodschappenservices werd verworpen.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.