ECLI:NL:CRVB:2018:2296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning van respijtzorg voor mantelzorger bij pgb-zorgzwaartepakket VV08
Appellant, die lijdt aan de ziekte van Huntington en een indicatie heeft voor het zorgzwaartepakket VV08, ontvangt zorg deels via een persoonsgebonden budget (pgb). Zijn broer verleent zowel professionele zorg als mantelzorg. Appellant vroeg respijtzorg voor zijn mantelzorger op grond van de Wmo, maar het college wees dit af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de mantelzorger overbelast raakt omdat hij zeven dagen per week zorg verleent, deels betaald via het pgb en deels als vrijwilliger. Respijtzorg zou noodzakelijk zijn, omdat professionele zorg in de avond- en nachturen niet binnen het pgb kan worden uitgebreid.
De Raad oordeelde dat op grond van de Wmo geen respijtzorg kan worden toegekend aan een mantelzorger die vrijwillig nabijheidszorg verleent binnen een pgb voor ZZP VV08. De vrijwillige nabijheidszorg sluit het recht op respijtzorg uit. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant, inclusief kosten voor de Mantelzorgmakelaar en het griffierecht. De beslissing werd uitgesproken op 4 juli 2018 door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat respijtzorg op grond van de Wmo niet toekomt aan de mantelzorger die vrijwillig nabijheidszorg verleent binnen een pgb voor ZZP VV08.