ECLI:NL:CRVB:2018:2398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding gezamenlijke bankrekening ondanks strafrechtelijke vrijspraak
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder sinds 2009. Na een anonieme melding startte de gemeente Apeldoorn een onderzoek naar haar rechtmatigheid van bijstand, waarbij bleek dat zij beschikte over gezamenlijke bankrekeningen met haar ex-man. Ondanks verzoeken leverde zij niet alle bankafschriften aan, waarna het college de bijstand introk en terugvordering instelde.
De rechtbank vernietigde het besluit deels, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigt het collegebesluit. Appellante voerde aan dat zij niet over de tegoeden kon beschikken en dat zij door de strafrechter was vrijgesproken van opzettelijke niet-melding. De Raad oordeelt dat het bestuursrechtelijk oordeel losstaat van het strafrechtelijk oordeel en dat de onschuldpresumptie niet wordt geschonden.
De Raad stelt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante beschikte over de tegoeden op de gezamenlijke rekening, mede door het gebruik van bankpassen en betalingen vanaf die rekening. De bestuursrechtelijke bewijsstandaard is lager dan in strafzaken, waardoor het college het besluit tot intrekking en terugvordering mocht nemen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-melding van inkomsten op gezamenlijke bankrekening ondanks strafrechtelijke vrijspraak.