ECLI:NL:CRVB:2018:2422
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering persoonsgebonden budget bij onvolledige verantwoording
Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor 2012 van het Zorgkantoor. Na administratief vooronderzoek werd de verantwoording over de eerste helft van 2012 afgekeurd wegens discrepanties tussen facturen, verantwoording en betaalde bedragen. Het Zorgkantoor stelde het pgb lager vast en vorderde een bedrag terug.
De rechtbank had het beroep gegrond verklaard omdat zij oordeelde dat appellante geen bezwaar had gemaakt tegen het vaststellingsbesluit. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak omdat het bezwaar wel tijdig was ingediend tegen de brief van het Zorgkantoor, die als onderdeel van het vaststellingsbesluit wordt gezien.
De Raad benadrukt dat de verantwoording van het pgb de eigen verantwoordelijkheid van de verzekerde is, ook als het beheer door een derde is gedaan. Het ontbreken van de administratie bij die derde is voor risico van appellante. De ingediende stukken zijn onvoldoende om aan te tonen dat de zorg is verleend en betaald. Daarom is de terugvordering van het Zorgkantoor terecht.
De Raad verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door J. Brand op 8 augustus 2018.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het Zorgkantoor wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het pgb bevestigd.