Uitspraak
OVERWEGINGEN
b. het einde van de eerste helft van een kalenderjaar, en voorts na afloop van de subsidieperiode, indien het tot een jaarbedrag herleide netto persoonsgebonden budget € 5000 of meer bedraagt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geïndiceerd voor zorg op grond van de AWBZ, ontving voor 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) van €36.919,37. Zij legde verantwoording af over het tweede halfjaar 2013, inclusief kosten voor begeleide vakanties. Het Zorgkantoor keurde een deel van de kosten goed, maar wees €683,81 af wegens niet-AWBZ-gerelateerde kosten zoals annuleringsverzekering, excursies, maaltijden, paardrijlessen en overhead.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Zorgkantoor ten onrechte niet heeft onderzocht of de paardrijlessen en maaltijden onder AWBZ-zorg kunnen vallen. De Raad stelt dat maaltijden onder kortdurend verblijf kunnen vallen en paardrijlessen onder begeleiding, mits deze in functie staan van de zorgdoelen.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en het besluit van 17 april 2015, stelt het pgb definitief vast op het oorspronkelijke bedrag en bepaalt dat appellante niets hoeft terug te betalen. Tevens wordt het Zorgkantoor veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het pgb voor 2013 wordt vastgesteld op €36.919,37 en appellante hoeft niets terug te betalen.