ECLI:NL:CRVB:2018:2428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid arbeidsongeschiktheid voor IVA-uitkering volgens Wet WIA
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV dat hij recht heeft op een WGA-uitkering en niet op een IVA-uitkering, omdat hij niet duurzaam arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank stelde vast dat het UWV ten onrechte geen beperkingen voor hand- en vingergebruik had opgenomen, waarna het UWV dit herstelde en de mate van arbeidsongeschiktheid verhoogde.
In hoger beroep staat centraal of appellant duurzaam volledig arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. Appellant stelt dat zijn beperkingen stabiel zijn en geen herstel mogelijk is, terwijl het UWV op grond van medisch onderzoek en literatuuronderzoek stelt dat behandelmogelijkheden nog niet waren uitgeput.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft geconcludeerd dat appellant op de datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt was, mede omdat er behandelmogelijkheden waren die nog niet waren uitgeprobeerd. De Raad wijst erop dat het niet nodig is dat appellant een aparte aanvraag doet voor een IVA-uitkering; het UWV moet bij de aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering ook de duurzaamheid beoordelen.
De aangevallen uitspraak wordt bevestigd met verbetering van gronden. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht geoordeeld dat appellant niet duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een IVA-uitkering.