ECLI:NL:CRVB:2018:2429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellant, een voormalige leidinggevende in de metaalbewerking, meldde zich in februari 2012 ziek met psychische klachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde in januari 2014 vast dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering per 29 januari 2014. Na een klacht van appellant werd een herbeoordeling uitgevoerd, maar het besluit werd in juli 2015 gehandhaafd.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het Uwv in maart 2016 ongegrond werd verklaard op basis van rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant in september 2016 ongegrond, waarbij zij het zorgvuldige medisch onderzoek en de arbeidskundige onderbouwing onderschreef.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met zijn beperkingen en dat een onafhankelijke deskundige benoemd had moeten worden, mede op grond van het Handvest van de Grondrechten van de EU en de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden had aangedragen en dat de rechtbank terecht geen aanleiding had gezien een deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het Uwv bevestigd dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering.