ECLI:NL:CRVB:2018:2546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering en vaststelling maatgevende arbeid bij secretaresse
Appellante werkte als secretaresse bij twee werkgevers en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV stelde vast dat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen en beëindigde haar ZW-uitkering. Appellante betwistte dat het werk bij werkgever 2 als maatgevende arbeid moest gelden en stelde dat het werk bij werkgever 1 met een hoger loon maatgevend moest zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de laatst verrichte arbeid als maatgevende arbeid geldt, tenzij uitzonderingen van toepassing zijn. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het UWV terecht het werk bij werkgever 2 als maatgevende arbeid heeft aangemerkt, omdat appellante op het moment van ziekmelding geen recht meer had op een WW-uitkering.
De Raad oordeelde dat het buitenwettelijk begunstigend beleid van het UWV consistent is toegepast en dat de medische beoordeling zorgvuldig was. De stellingen van appellante over een onjuiste berekening van de WW-einddatum en haar huidige arbeidsongeschiktheid werden verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De ZW-uitkering is terecht beëindigd en het werk bij werkgever 2 geldt als maatgevende arbeid.