ECLI:NL:CRVB:2018:2553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontzegging bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie bij disciplinair ontslag niet toegestaan
De zaak betreft de ontzegging van een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering op grond van het Besluit bovenwettelijk werkloosheidsuitkering politie (Bbwp). Appellant, een politieambtenaar, werd ontslagen op grond van een disciplinaire maatregel volgens artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Hij vorderde een uitkering op grond van het Bbwp, maar deze werd ontzegd en de ontzegging bleef in stand na bezwaar.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij geen betrokkene is in de zin van het Bbwp. De Raad onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat het Bbwp alleen uitkeringen toekent aan politieambtenaren die ontslagen zijn op de in het Bbwp genoemde gronden, waartoe disciplinair ontslag niet behoort.
Appellant stelde dat de bovenwettelijke uitkering altijd zou moeten volgen op de Werkloosheidswet en dat bij afwezigheid van verwijtbare werkloosheid aanspraak zou bestaan. De Raad wijst dit af en verwijst naar een eerdere uitspraak waarin een andere regeling met een ander begrip van 'betrokkene' gold. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het beroep af.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering wegens ontslag op disciplinaire gronden; beroep wordt afgewezen.