ECLI:NL:CRVB:2018:2565

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 augustus 2018
Publicatiedatum
20 augustus 2018
Zaaknummer
17/702 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Regeling subsidies AWBZ
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling besteding persoonsgebonden budget AWBZ over eerste helft 2014

Het zorgkantoor verleende aan betrokkene een persoonsgebonden budget (pgb) van €51.312,05 voor AWBZ-zorg in 2014. Betrokkene gaf op dat hij in de eerste helft van 2014 €23.864,- aan zorg had besteed bij een specifieke zorgverlener, maar het zorgkantoor keurde dit bedrag deels af omdat een deel van de zorg niet als AWBZ-zorg werd erkend.

De rechtbank vernietigde het besluit van het zorgkantoor en stelde dat het volledige bedrag van €23.864,- als AWBZ-zorg bestemd was. Het zorgkantoor ging in hoger beroep en stelde dat op basis van facturen en bankafschriften slechts €20.451,- aan AWBZ-zorg was besteed.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank ten onrechte zelf een hoger bedrag had vastgesteld en dat het zorgkantoor terecht had gesteld dat het maximale bestede bedrag €20.451,- was. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en stelde het juiste bedrag vast. Proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Betrokkene heeft over de eerste helft van 2014 maximaal €20.451,- aan AWBZ-zorg besteed.

Uitspraak

17.702 AWBZ

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
8 december 2016, 16/98 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 8 augustus 2018
PROCESVERLOOP
Het Zorgkantoor heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2018. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.D. Saro. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn curator [A].

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Het Zorgkantoor heeft op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2014 aan betrokkene een netto persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 51.312,05 voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
1.2.
Betrokkene heeft op een verantwoordingsformulier van 7 augustus 2014 opgegeven dat hij over de eerste helft van 2014 voor een bedrag van € 23.864,- zorg heeft ingekocht bij [naam zorgverlener]. Bij besluit van 11 februari 2015 heeft het Zorgkantoor dit bedrag afgekeurd op de grond dat de door [naam zorgverlener] verleende zorg geen AWBZ-zorg is.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 24 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het besluit van 11 februari 2015 herroepen. Volgens het Zorgkantoor is aannemelijk dat betrokkene over de eerste helft van 2014 een bedrag van € 14.763,- heeft besteed aan door [naam zorgverlener] verleende persoonlijke verzorging, verpleging en groepsbegeleiding. Het resterende deel van de verleende zorg kwalificeert echter niet als individuele begeleiding, zodat een bedrag van € 9.101,- niet wordt goedgekeurd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen dat het Zorgkantoor zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [naam zorgverlener] verleende resterende zorg geen begeleiding is in de zin van de AWBZ. De rechtbank heeft daarom het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de door [naam zorgverlener] aan betrokkene verleende zorg over de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 ten bedrage van € 23.864,- als aan AWBZ-zorg bestede kosten wordt goedgekeurd.
3. Het Zorgkantoor heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zelf voorziend een bedrag van € 23.864,- heeft goedgekeurd. Dit had namelijk gelet op de beschikbare facturen en bankafschriften een bedrag van € 20.451,- moeten zijn.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Het door het Zorgkantoor ingestelde hoger beroep beperkt zich tot de wijze waarop de rechtbank in de aangevallen uitspraak zelf in de zaak heeft voorzien.
4.2.
Ter zitting heeft de curator van betrokkene niet weersproken dat betrokkene over de eerste helft van 2014 niet meer dan € 20.451,- heeft betaald aan [naam zorgverlener]. Het Zorgkantoor heeft zich daarom met juistheid op het standpunt gesteld dat betrokkene in de eerste helft van 2014 niet meer dan € 20.451,- uit zijn pgb aan AWBZ-zorg heeft besteed. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat betrokkene over de eerste helft van 2014 een bedrag van € 20.451,- heeft gebruikt voor betaling van AWBZ-zorg.
5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is in hoger beroep niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- bepaalt dat betrokkene over de eerste helft van 2014 een bedrag van € 20.451,- heeft
gebruikt voor betaling van AWBZ-zorg en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats
treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van 24 november 2015.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2018.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) G.D. Alting Siberg

OS