Uitspraak
17.2807 WW
OVERWEGINGEN
1. Er is sprake van vrijwilligerswerk als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Werkloosheidswet, indien:
sociaal belang behartigende instelling of een steunstichting SBBI.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam bij een werkgever tot 1 december 2015 en ontving vanaf die datum een WW-uitkering. Zij vroeg toestemming aan het UWV om vrijwilligerswerk te verrichten bij de FNV met behoud van haar uitkering. Het UWV weigerde deze toestemming omdat de FNV niet de vereiste ANBI-, SBBI- of steunstichting SBBI-status heeft. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht de toestemming had geweigerd op grond van artikel 2, eerste lid, onder c, van de Regeling vrijwilligerswerk in de WW.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de opsomming in de Regeling niet limitatief is en dat het UWV per geval moet toetsen of het vrijwilligerswerk arbeid is. Zij stelde dat de FNV wel voldoet aan de maatschappelijke doelstelling en dat de Regeling daarom niet op haar van toepassing zou moeten zijn. Ook stelde zij dat het UWV eerder ten onrechte toestemming had verleend, waardoor het vertrouwensbeginsel zou zijn geschonden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraak en oordeelde dat de Regeling een ministeriële regeling is die de verruiming van vrijwilligerswerk met behoud van WW-uitkering beperkt tot organisaties met ANBI-, SBBI- of steunstichting SBBI-status. De eerdere brieven van de minister aan de Tweede Kamer met een ruimere omschrijving kunnen niet boven deze imperatieve regeling worden gesteld. Het beroep van appellante faalt, mede omdat het bestuursorgaan geen ruimte heeft voor individuele belangenafwegingen bij deze regeling. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht toestemming heeft geweigerd voor vrijwilligerswerk bij de FNV met behoud van WW-uitkering vanwege het ontbreken van de vereiste ANBI-status.