ECLI:NL:CRVB:2018:2582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende verklaring levensonderhoud
Appellant ontving bijstand sinds november 2006 en werd onderzocht vanwege onregelmatigheden in zijn uitgavenpatroon. Uit bankafschriften bleek dat hij geen pinbetalingen of kasopnames deed voor levensonderhoud, wat leidde tot nader onderzoek door de gemeente Hengelo.
Tijdens gesprekken verklaarde appellant dat hij veel at bij familie en vrienden en geld leende, maar kon hij dit niet met controleerbare bewijsstukken onderbouwen. Ook gaf hij aan incidenteel kluswerkzaamheden te verrichten zonder vergoeding. Het college besloot daarom de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenverplichting en onvoldoende aannemelijk maakte hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag. Ook medische klachten en geheugenproblemen konden dit niet rechtvaardigen.
De Raad benadrukte dat de inlichtingenverplichting objectief is en dat het ontbreken van verwijtbaarheid niet tot een ander oordeel leidt. Het hoger beroep wordt afgewezen en de proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.