Uitspraak
17.4810 AWBZ
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een pgb voor de periode van 15 juli 2014 tot en met 31 december 2014. Het zorgkantoor stelde het pgb bij besluit op nihil vast en vorderde het bedrag terug omdat appellant niet voldeed aan de administratieve verplichtingen en onvoldoende aannemelijk maakte dat de zorg volledig AWBZ-zorg betrof.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de verantwoorde bedragen ten onrechte waren afgekeurd en dat rekening had moeten worden gehouden met zijn kwetsbare positie en medische situatie.
De Raad oordeelt dat appellant niet heeft voldaan aan de administratieve verplichtingen zoals vereist in de Regeling subsidies AWBZ. De verantwoording was onvoldoende concreet en deels onjuist, onder meer doordat niet alle gefactureerde zorg AWBZ-zorg betrof. De Raad benadrukt dat de bewijslast bij appellant ligt en dat fouten van de bewindvoerder voor zijn rekening komen.
Gelet op de belangenafweging en vaste jurisprudentie is het op nihil vaststellen van het pgb niet onredelijk. Ook is de terugvordering gerechtvaardigd, waarbij het zorgkantoor rekening moet houden met de beslagvrije voet. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het pgb wordt terecht op nihil vastgesteld en teruggevorderd.