Uitspraak
17.2814 WW-T
mr. W.J.M.H. Lagerwaard.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 2009 in dienst bij een BV als projectontwikkelaar/manager. De werkgever werd in mei 2015 failliet verklaard, waarna de arbeidsovereenkomst werd beëindigd. Appellant verzocht het UWV om de betalingsverplichtingen van de werkgever wegens betalingsonmacht over te nemen, maar het UWV vergoedde alleen loon en vakantiegeld, niet de tantièmes.
Appellant maakte bezwaar en kreeg gedeeltelijk gelijk voor de pensioenpremies, maar niet voor de tantièmes, omdat het UWV stelde dat er sprake was van betalingsonwil en dat de tantièmes afhankelijk waren van het bedrijfsresultaat. De rechtbank vernietigde het besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat er een onvoorwaardelijke aanspraak op een tantième ter hoogte van een maandsalaris bestond, ongeacht het bedrijfsresultaat.
De Raad concludeert op basis van de arbeidsovereenkomst en de feitelijke betalingen dat er inderdaad een vaste aanspraak was op een tantième van minimaal een maandsalaris per jaar. De afhankelijkheid van het bedrijfsresultaat betreft slechts een mogelijke verhoging, niet de basisuitkering. De tantième moet daarom door het UWV naar rato overgenomen worden voor de wettelijke periode van 19 weken. Omdat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd hoe de loonbetalingen in 2015 aan de tantièmes over voorgaande jaren moeten worden toegerekend, wordt het UWV opgedragen dit binnen zes weken te herstellen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep draagt het UWV op om binnen zes weken de betalingsverplichtingen voor de tantième naar rato over te nemen en het besluit te herstellen.