ECLI:NL:CRVB:2018:2717
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde zelfstandige werkzaamheden
Appellant exploiteerde een tuinbouwbedrijf dat hij op 1 oktober 2015 overdroeg aan zijn dochter. Op 6 oktober 2015 vroegen appellanten bijstand aan op grond van de Participatiewet, waarbij werd aangegeven dat appellant niet langer als zelfstandige werkte. Na een melding dat appellant toch nog werkzaamheden verrichtte, voerde de gemeente een onderzoek uit, inclusief waarnemingen op de Beverwijkse Bazaar en het opvragen van bankgegevens en facturen.
Op basis van het onderzoek trok het college de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de ontvangen bedragen terug, omdat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij nog werkzaamheden verrichtte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de onderzoeksresultaten voldoende waren om de voortzetting van zelfstandige werkzaamheden aan te nemen.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de waarneming slechts kort was en dat appellant zijn dochter incidenteel hielp zonder inkomsten. De Raad oordeelde dat dit niet afdoet aan het feit dat er op geld waardeerbare werkzaamheden werden verricht die gemeld hadden moeten worden. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd.