ECLI:NL:CRVB:2018:2737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden in onderneming zoon
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Na een anonieme melding dat zij werkzaamheden verrichtten in de pizzeria van hun zoon, heeft het college een onderzoek ingesteld. Appellanten gaven toe dat zij onbetaald hadden meegewerkt in de onderneming, maar hadden dit niet gemeld aan het college.
Het college besloot daarom de bijstand over de periode van 1 december 2013 tot en met 8 december 2014 in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat zij de inlichtingenverplichting niet bewust hadden geschonden en dat de terugvordering niet in verhouding stond tot de inkomsten.
De Raad oordeelde dat de inlichtingenverplichting objectief is en dat het niet relevant is of appellanten bewust informatie achterhielden. Omdat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij recht hadden op bijstand over de periode, was het college terecht gehouden de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden in de onderneming van de zoon wordt bevestigd.