Uitspraak
16.6766 WLZ
OVERWEGINGEN
BESLISSING
M.A.H. van Dalen-van Bekkum en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van
H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2018.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, met de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit, heeft na langdurig verblijf in Marokko en België in juli 2013 naar Nederland teruggekeerd. Hij verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om vaststelling van verzekering op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). De Svb wees dit verzoek af, wat door appellant werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel, waarbij werd meegewogen dat appellant slechts tijdelijk in Nederland verbleef, geen zelfstandige woonruimte had en wisselende verklaringen gaf over contact met familie in Nederland.
Ook het argument van machtsmisbruik door de Svb werd verworpen, omdat het gebruik van gegevens uit andere procedures niet onzorgvuldig was. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst op de mogelijkheid van beroep in cassatie bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet verzekerd is op grond van de Wlz wegens het ontbreken van een duurzame persoonlijke band met Nederland.