ECLI:NL:CRVB:2018:2757
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum bijstand gekoppeld aan inschrijving in basisregistratie personen
Appellant vroeg bijstand aan met een gewenste ingangsdatum van 26 augustus 2015, maar het college stelde deze vast op 23 september 2015, de datum van inschrijving in de gemeentelijke basisregistratie personen (brp). Het college verleende bijstand met een verlaging van 20% vanwege het ontbreken van woonkosten en hield bedragen in ten behoeve van een stichting.
De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het de verlaging van 20% en de inhouding betrof, omdat onvoldoende onderzoek was gedaan naar woonkosten en de inhouding onvoldoende was gemotiveerd. Het college nam een nieuw besluit waarbij de verlaging werd teruggebracht naar 10% en een nabetaling werd toegezegd.
In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat de ingangsdatum ten onrechte was vastgesteld, dat giften ten onrechte werden gekort, dat de verplichting tot het invullen van een slaaplijst de persoonlijke levenssfeer schond, en dat de verlaging van de bijstand onterecht was. De Raad oordeelde dat de ingangsdatum terecht was gekoppeld aan de inschrijving in de brp, dat giften als middelen mogen worden beschouwd, dat appellant geen belang had bij een principiële uitspraak over de slaaplijst, en dat de verlaging van 10% passend was gezien de woonkosten.
De inhouding van €160,- per maand was terecht vanwege een door appellant ondertekende machtiging voor verrekening van voorschotten. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen het nader besluit ongegrond en wees geen proceskosten toe.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het beroep tegen het nader besluit is ongegrond verklaard.