Uitspraak
16.897 WW
M.J.H. Maas.
OVERWEGINGEN
€ 169,24 niet juist is geweest, omdat destijds, ten gevolge van een onjuiste opgave van de werkgever van het jaar waarin appellant ziek was geworden, van een onjuiste referteperiode is uitgegaan.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1 mei 2004 in dienst bij een werkgever en meldde zich op 12 november 2013 ziek. Zijn dienstverband eindigde op 1 december 2013. Het UWV stelde een Ziektewet-uitkering vast met een dagloon van €169,24, maar corrigeerde dit later vanwege een onjuiste referteperiode. Na beëindiging van de ZW-uitkering vroeg appellant een WW-uitkering aan, die werd vastgesteld op een dagloon van €82,96.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en stelde dat het dagloon te laag was en niet overeenkwam met zijn gebruikelijke inkomsten, met name in de periode augustus tot november 2013. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV de berekening voldoende had toegelicht en dat de oorspronkelijke ZW-dagloonberekening onjuist was.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep verwierp dit opnieuw en bevestigde de aangevallen uitspraak. De Raad benadrukte dat de berekeningswijze van het dagloon bindend is vastgelegd in de WW en het Dagloonbesluit. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het WW-dagloon van appellant correct is vastgesteld op €82,96.