ECLI:NL:CRVB:2018:2775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, voorheen bedradingsmonteur, vroeg een WIA-uitkering aan omdat hij meende dat zijn arbeidsongeschiktheid was toegenomen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde echter vast dat appellant per 13 augustus 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Na een melding van vermeerde klachten per 12 oktober 2014 en een daaropvolgend medisch onderzoek, bleef het Uwv bij haar standpunt dat er geen objectieve toename van beperkingen was.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat uit de medische gegevens en meldingen niet bleek dat de functionele mogelijkheden van appellant waren verslechterd. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en voerde aan dat zijn klachten waren toegenomen, wat leidde tot een operatie in juli 2015. Hij overhandigde ook huisartsinformatie ter onderbouwing.
De Raad concludeerde dat de aangeleverde informatie onvoldoende bewijs leverde voor een toename van arbeidsongeschiktheid per 12 oktober 2014. Ook na aanvullend onderzoek door een verzekeringsarts, inclusief informatie van de behandelend chirurg, bleek geen toename. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering per 12 oktober 2014 wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.