ECLI:NL:CRVB:2018:281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging bestuurlijke boete wegens schending inlichtingenplicht WWB
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en meldde niet tijdig haar inkomsten uit werkzaamheden vanaf 15 april 2014. Het college legde haar een bestuurlijke boete op wegens schending van de inlichtingenplicht en vorderde ten onrechte ontvangen bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde een boete van 50% van het benadelingsbedrag.
In hoger beroep vernietigt de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank omdat het college de hoogte van de boete niet juist had vastgesteld. De Raad stelt zelf de boete vast op €1.045,11, gelijk aan 50% van het benadelingsbedrag van €2.090,22, conform de wettelijke bepalingen die geen aftrek van reeds afgeloste bedragen toestaan.
Appellante voerde aan dat haar financiële situatie en het gebruik van inkomsten voor schuldenaflossing tot verminderde verwijtbaarheid zouden moeten leiden, maar dit verweer werd verworpen. De Raad oordeelt dat de financiële omstandigheden appellante niet vrijwaren van haar meldingsplicht. Ook is vastgesteld dat appellante in staat is om de boete binnen twaalf maanden af te lossen.
Daarnaast veroordeelt de Raad het college in de kosten van appellante voor bezwaar, beroep en hoger beroep, inclusief de kosten voor rechtsbijstand en reiskosten. Het door appellante betaalde griffierecht wordt eveneens vergoed.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op €1.045,11 en het college wordt veroordeeld in de kosten van appellante.