ECLI:NL:CRVB:2018:2974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens verstoorde arbeidsrelatie en impasse zonder recht op hogere ontslaguitkering
Appellante was sinds 1985 vast aangesteld bij de stichting en werkte vanaf 2009 via detachering bij een platform. Door een wijziging van taken werd zij vanaf 2014 geacht zich te ontwikkelen tot een coachende functie. Na een gesprek in december 2015 verrichtte zij geen werkzaamheden meer voor het platform. De stichting beëindigde de detachering per 30 juni 2016 en beval haar terugkeer naar haar oorspronkelijke functie, wat appellante weigerde. De stichting stopte daarop de bezoldiging en verleende haar op 15 september 2016 ontslag wegens een langdurig en onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie.
Appellante voerde aan dat zij onterecht ongeschikt werd geacht en onvoldoende verbeterkansen kreeg, en dat de stichting een overwegend aandeel had in de impasse. De Raad oordeelde dat de beëindiging van de detachering de feitelijke situatie formaliseerde, dat appellante geen werkzaamheden meer verrichtte en overleg vastliep. De stopzetting van bezoldiging was gerechtvaardigd omdat zij weigerde haar oorspronkelijke functie te hervatten. Het ontslag was gegrond op artikel 4.8 CAO PO wegens gewichtige redenen.
De Raad verwierp het beroep op een hogere ontslagvergoeding omdat de stichting niet overwegend verantwoordelijk was voor de impasse. Appellante had onvoldoende constructief meegewerkt aan oplossingen en weigerde coaching en bemiddeling. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het ontslag wegens een ernstig en onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie wordt bevestigd zonder toekenning van een hogere ontslaguitkering.