ECLI:NL:CRVB:2018:3047
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens zelfstandige werkzaamheden
Appellant was docent en sinds 1 juni 2014 vrijgesteld van werk. Vanaf die datum was hij actief als zelfstandige in een wijnbar annex winkel, wat leidde tot intrekking van zijn WW-uitkering en terugvordering van onverschuldigde betalingen.
De rechtbank oordeelde dat appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige niet als hobby kon kwalificeren, gezien de omvang en aard van zijn activiteiten, waaronder aanwezigheid tijdens openingstijden en organisatorische taken. Dit oordeel werd gebaseerd op een onderzoeksrapport, verklaringen van medewerkers, en gegevens van de Kamer van Koophandel en vergunningen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de werkzaamheden van appellant economische arbeid waren, gericht op geldelijk voordeel, en dat hij zijn werknemerschap had verloren. Het beroep van appellant op het beleid omtrent verzekeringsplichtige werkzaamheden in de 26 weken voorafgaand aan werkloosheid werd verworpen.
De Raad concludeerde dat de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering terecht waren en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering bevestigd.