ECLI:NL:CRVB:2018:3103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden voor periode juni-december 2016
Appellante ontving sinds 2011 hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van drie uur per week. Het college stelde bij besluit van 30 augustus 2016 deze maatwerkvoorziening voor de periode van 7 juni tot en met 31 december 2016 vast. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd bij besluit van 28 november 2016 ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het collegebesluit ongegrond en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De rechtbank baseerde zich op een indicatierapport uit 2014 en gesprekken waarin appellante aangaf tevreden te zijn met de drie uur hulp. Pas vanaf januari 2017 was sprake van een verslechtering van haar situatie, waarna het college de hulp verhoogde naar vier uur per week.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte had geconcludeerd dat zij tevreden was met de maatwerkvoorziening en dat de gehanteerde normtijden onjuist waren toegepast. De Raad overwoog echter dat uit het ondersteuningsplan van mei 2016 bleek dat appellante en haar echtgenoot de drie uur hulp voldoende vonden en dat zij toen nog in staat waren diverse huishoudelijke taken zelf te verrichten. Pas in januari 2017 trad een verslechtering op die een verhoging rechtvaardigde.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de maatwerkvoorziening van drie uur per week in de periode juni tot en met december 2016 toereikend was en wijst het hoger beroep af.