ECLI:NL:CRVB:2018:3124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering Wajong-uitkering wegens schending inlichtingenplicht bij hennepteelt
Appellant ontving sinds 1992 een Wajong-uitkering en toeslag. Na zijn detentie wegens betrokkenheid bij hennepteelt startte het UWV een onderzoek naar de rechtmatigheid van zijn uitkering. Appellant weigerde tijdens een verhoor op zijn zwijgrecht te beroepen, waarna het UWV de uitkering beëindigde en het onverschuldigd betaalde bedrag terugvorderde.
De rechtbank oordeelde dat appellant zich terecht op zijn zwijgrecht had beroepen, maar dat hij zijn informatieplicht niet was nagekomen door geen opgave te doen van vermeende inkomsten. Appellant stelde in hoger beroep dat hij geen inkomsten had uit hennepteelt en dat het nemo-teneturbeginsel voorging op de inlichtingenplicht.
De Raad oordeelde dat de inlichtingenplicht noodzakelijk is voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de uitkering en dat appellant zich hier niet aan kan onttrekken met een beroep op EVRM. Het bewezen verklaarde hennepteelt wijst erop dat appellant feiten niet spontaan heeft gemeld, waardoor het UWV terecht de uitkering beëindigde en terugvorderde. De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Wajong-uitkering en toeslag en de terugvordering van het onverschuldigde bedrag wegens schending van de inlichtingenplicht.