ECLI:NL:CRVB:2018:3150
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering wegens voldoende medische grondslag
Appellante was werkzaam als winkelmedewerker en meldde zich ziek met psychische klachten. Na beëindiging van haar dienstverband werd zij in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde haar uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij door haar psychische en fysieke toestand niet in staat was de functies te verrichten en dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de medische grondslag voldoende was en dat de verzekeringsarts rekening had gehouden met de bekende medische problemen. Ook was het UWV voldoende gemotiveerd over de geschiktheid van de functies. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering van appellante terecht is beëindigd.