ECLI:NL:CRVB:2018:3161

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2018
Publicatiedatum
16 oktober 2018
Zaaknummer
15/8572 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 54 Participatiewet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking AIO-aanvulling wegens niet verstrekken CIN-nummer en schending medewerkingsverplichting

De Sociale verzekeringsbank (Svb) voerde een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling) van appellanten. Appellanten weigerden hun CIN-nummer te verstrekken, ondanks een verzoek daartoe op 2 december 2014. Hierdoor kon het recht op AIO-aanvulling niet worden vastgesteld.

De Svb besloot het recht op AIO-aanvulling op te schorten per 1 januari 2015 en later in te trekken op grond van artikel 54 van Pro de Participatiewet. Appellanten maakten bezwaar tegen deze besluiten, maar de Svb verklaarde deze ongegrond. De rechtbank Den Haag bevestigde deze besluiten en oordeelde dat appellanten niet voldeden aan de inlichtingenverplichting.

In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat het niet verstrekken van het CIN-nummer een schending van de medewerkingsverplichting is, niet van de inlichtingenverplichting zoals de rechtbank had geoordeeld. De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd bevestigd dat de Svb bevoegd is om het recht op AIO-aanvulling op te schorten en in te trekken bij onvoldoende medewerking.

Appellanten voerden onder meer een beroep op het gelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel aan, maar dit werd verworpen omdat de situatie bij lopende uitkeringen verschilt van die bij een aanvraag. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees proceskosten af. De uitspraak werd in het openbaar gedaan.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de AIO-aanvulling wegens niet verstrekken van het CIN-nummer wordt bevestigd.

Uitspraak

15.8572 PW-PV, 15/8573 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 november 2015, 15/4924 en 15/6784 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] en [Appellante] te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 18 september 2018
Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte
Griffier: F.H.R.M. Robbers
Namens appellanten is mr. M.I. L’Ghdas ter zitting verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. De Svb voert in de periode 2013 tot en met 2019 een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling) van alle AIO-gerechtigden. In het kader daarvan zijn appellanten laatstelijk op 2 december 2014 verzocht hun CIN-nummer te verstrekken. Appellanten hebben niet aan dit verzoek voldaan. Bij besluit van 5 januari 2015 (besluit 1) heeft de Svb het recht van appellanten met ingang van 1 januari 2015 opgeschort. Bij besluit van 26 februari 2015 (besluit 2) heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellanten met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (PW) met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken. Aan deze besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat door weigering van appellanten om binnen de bij besluit 1 gegeven hersteltermijn hun CIN-nummers te overleggen, het recht op AIO-aanvulling vanaf 1 januari 2015 niet is vast te stellen.
2. Bij besluit van 27 mei 2015 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van appellanten tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Bij besluit van 5 augustus 2015 (bestreden besluit 2) heeft de Svb het bezwaar van appellanten tegen besluit 2 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat en voor zover in dit geding van belang - geoordeeld dat appellanten, door hun CIN-nummer niet te verstrekken, niet hebben voldaan aan de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (PW) op hen rustende inlichtingenverplichting, waardoor hun recht op AIO-aanvulling niet is vast te stellen.
4. In de uitspraken van 26 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:808, ECLI:NL:CRVB:2018:809 en ECLI:NL:CRVB:2018:810, heeft de Raad geoordeeld dat de appellanten in die zaken, door hun CIN-nummers niet over te leggen, onvoldoende medewerking hebben verleend aan het onderzoek naar vermogen in Marokko en dat de Svb bevoegd was om met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW het recht op AIO-aanvulling op te schorten en, na het ongebruikt verstrijken van de geboden hersteltermijn, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW in te trekken.
5. Bij brief van 12 juli 2018 heeft de Raad appellanten verzocht of de onder 4 genoemde uitspraak ECLI:NL:CRVB:2018:808 en de uitspraak van 5 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1751 aanleiding gaven tot wijziging van/aanvulling op hun beroepsgronden. Appellanten hebben hierop gereageerd met toezending van een kopie van een email van 20 maart 2018, waarin de Svb in het kader van een aanvraag om een AIO-aanvulling een betrokkene informeert dat het CIN-nummer geen gegeven is dat nodig is voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van de AIO-aanvulling.
6. De in de email van 20 maart 2018 weergegeven situatie betreft een aanvraagsituatie van een betrokkene. De Svb vindt kennelijk het CIN-nummer in dat geval niet nodig om het recht op en de hoogte van de AIO-aanvulling van een betrokkene vast te stellen. Dit ligt voor de Svb anders indien zij bij een lopende uitkering een onderzoek start ter verificatie van de door een betrokkene verstrekte informatie over inkomen en vermogen in Marokko, of het ontbreken daarvan. In zo’n situatie, zoals ook hier in geding, heeft de Raad in de genoemde uitspraken geoordeeld dat het niet overleggen van het CIN-nummer een schending van de medewerkingsverplichting oplevert. Anders dan appellanten hebben betoogd, kan, gelet op deze verschillende situaties, hun beroep op het gelijkheids- en rechtzekerheidsbeginsel niet slagen. De overige gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn identiek aan de beroepsgronden die betrokkenen in de onder 4 vermelde zaken hebben aangevoerd. De Raad is in de onder 4 genoemde uitspraken uitvoerig op die beroepsgronden ingegaan en heeft die gemotiveerd verworpen. Geen grond bestaat om in deze zaak tot een ander oordeel te komen.
7. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het niet overleggen van het CIN-nummer echter ten onrechte gekwalificeerd als schending van de inlichtingenverplichting in plaats van schending van de medewerkingsverplichting. Gelet hierop zal de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, worden bevestigd.
8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) F.H.R.M. Robbers (getekend) O.L.H.W.I. Korte
ew