ECLI:NL:CRVB:2018:3176
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning waarnemingstoelage wegens tijdelijk verrichten hogere functie binnen politie
Appellanten, werkzaam in salarisschaal 9, verrichtten vanaf april 2013 werkzaamheden die een hoger gewaardeerde functie (salarisschaal 10) vormden binnen de Forensische Opsporing. De korpschef weigerde aanvankelijk de waarnemingstoelage toe te kennen, stellende dat de werkzaamheden slechts een rol binnen de formele functie waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen sprake was van langdurige waarneming van de hogere functie.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellanten vanaf april 2013 feitelijk de volledige taken van de hogere functie verrichtten, zoals bevestigd door de leidinggevende en ondersteund door het formatieplan. De Raad stelt vast dat het samenstel van werkzaamheden een andere, hoger gewaardeerde functie betrof en dat de korpschef de weigering van de waarnemingstoelage niet redelijk kon achten.
De Raad vernietigt de bestreden besluiten en de uitspraak van de rechtbank, kent appellanten alsnog de waarnemingstoelage toe over de periode april 2013 tot juli 2016 en veroordeelt de korpschef in de proceskosten. De uitspraak vervangt de eerdere besluiten en bevestigt het recht op een volledige waarnemingstoelage conform artikel 17 van Pro het Besluit bezoldiging politie.
Uitkomst: Appellanten krijgen alsnog waarnemingstoelage toegekend over april 2013 tot juli 2016 wegens het tijdelijk verrichten van een hogere functie.