ECLI:NL:CRVB:2018:318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand na aantreffen hennepkwekerij met elf planten
Appellant ontving bijstand sinds 2012 en werd op 26 januari 2015 betrapt met een hennepkwekerij van elf planten in zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok daarop de bijstand over de periode van 6 december 2014 tot en met 26 januari 2015 in en vorderde de verstrekte bijstand terug, omdat appellant geen melding had gedaan en geen administratie bijhield.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de hennepteelt voor eigen gebruik was en dat het Openbaar Ministerie geen strafrechtelijke vordering had ingesteld. Dit verweer faalde omdat bij meer dan vijf planten geen sprake is van eigen gebruik en het ontbreken van een strafrechtelijke vordering hieraan niets afdoet.
Appellant stelde verder dat er geen oogst was geweest en hij geen inkomsten had genoten, en dat een medewerker had gezegd dat de bijstand ongewijzigd kon worden voortgezet. De Raad oordeelde dat appellant dit niet aannemelijk had gemaakt en dat het college terecht de bijstand had ingetrokken en teruggevorderd vanwege het ontbreken van een deugdelijke administratie en het schenden van de inlichtingenverplichting.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.