ECLI:NL:CRVB:2018:3349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving administratieve verplichtingen
Het zorgkantoor heeft aan appellant een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor de periode 1 januari 2013 tot en met 21 april 2013. Later stelde het zorgkantoor het pgb voor die periode vast op nihil en vorderde het de betaalde voorschotten van €1.745,76 terug, omdat appellant niet voldeed aan de administratieve verplichtingen en onvoldoende aannemelijk maakte dat de zorg daadwerkelijk was geleverd en betaald.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het zorgkantoor verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarbij werd overwogen dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de zorg daadwerkelijk vanuit het pgb was betaald en dat het risico van het ontbreken van bewijs voor zijn rekening kwam. Ook werd geoordeeld dat appellant, ondanks zijn psychische problematiek, in staat was zijn verplichtingen na te komen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank ten onrechte zijn psychische problematiek niet had meegewogen, dat hij wel aannemelijk had gemaakt dat een deel van het pgb aan zorg was besteed, en dat het vertrouwensbeginsel ten onrechte niet was gehonoreerd. De Raad oordeelde echter dat het zorgkantoor terecht het pgb lager had vastgesteld en dat de belangenafweging in redelijkheid was gemaakt. Het ontbreken van nadere bewijsstukken kwam voor rekening en risico van appellant, en het zorgkantoor mocht het teveel betaalde bedrag terugvorderen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien om af te zien van terugvordering of om het vertrouwensbeginsel toe te passen. Ook werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het zorgkantoor het pgb lager mocht vaststellen en het teveel betaalde bedrag van €1.745,76 mag terugvorderen.