Uitspraak
6 augustus 2015, 14/7853 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als metselaar, ontvangt sinds 2001 een WAO-uitkering, laatstelijk herzien per 29 september 2005. In 2013 meldde hij zich bij het UWV wegens vermeende toename van klachten. Het UWV weigerde de uitkering te herzien, omdat de arbeidsongeschiktheid niet binnen vijf jaar na de laatste herziening was toegenomen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de toename van klachten wel binnen die termijn was opgetreden, onderbouwd met medische brieven. Hij verzocht tevens om benoeming van een deskundige op grond van het equality of arms-beginsel. De Raad onderzocht de zorgvuldigheid van het UWV-onderzoek, de gelijkheid van partijen en de inhoudelijke beoordeling.
De Raad concludeerde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, appellant geen belemmeringen had ondervonden bij het aanleveren van medische informatie, en dat de medische stukken geen toename van beperkingen binnen de relevante periode ondersteunden. De aanvraag van appellant was bovendien laattijdig, waardoor het medisch beeld moeilijker vast te stellen is.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af. Er was geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de WAO-uitkering te herzien wegens het ontbreken van een toename van arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar.