ECLI:NL:CRVB:2018:3421
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bijstandsverlening met lening en krediet hypotheekverplichting
De appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om hem bijstand te verlenen in de vorm van een lening met een krediet hypotheekverplichting. Het college stelde het maximumbedrag van de lening vast op €6.619,- en eiste dat appellant meewerkt aan het vestigen van een krediethypotheek op de lening.
Appellant voerde aan dat deze verplichting in strijd zou zijn met het eigendomsrecht zoals beschermd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Daarnaast stelde appellant dat het college ten onrechte geen rekening had gehouden met een schuld van €9.832,33 die hij aan het college had, waardoor hij volgens hem geen recht op bijstand zou hebben.
De Raad oordeelde dat het opleggen van de hypotheekverplichting geen onrechtmatige inmenging in het eigendomsrecht vormt, omdat appellant niet had onderbouwd waarom deze inmenging ongerechtvaardigd zou zijn. Verder bevestigde de Raad de vaste rechtspraak dat bij de bepaling van de hoogte van de lening alleen schulden worden betrokken die op de woning drukken, en dat de schuld van appellant niet onder deze categorie valt.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank Den Haag werd daarmee bevestigd en er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.