Uitspraak
20 december 2016, 16/1837 (aangevallen uitspraak 1) en 16/2552 (aangevallen uitspraak 2)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was na beëindiging van haar arbeidsrelatie aangewezen op een WW-uitkering en diende een verzoek in bij het UWV voor een faillissementsuitkering wegens betalingsonmacht van haar voormalige werkgever. Dit verzoek werd aanvankelijk afgewezen, waarna zij bezwaar maakte en zich liet bijstaan door een advocaat. Het bezwaar werd gegrond verklaard en de uitkering toegekend met een forfaitaire vergoeding van de bezwaarkosten.
Appellante vorderde vervolgens vergoeding van de niet-vergoede kosten van rechtsbijstand, maar het UWV wees dit af vanwege het limitatieve karakter van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het verzoek af. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt over de kostenvergoeding, maar liet zij haar bezwaren tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente vallen.
De Raad oordeelde dat het Bpb een exclusieve regeling is voor vergoeding van bezwaarkosten met een forfaitair karakter en dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om hiervan af te wijken. Het feit dat appellante een advocaat moest inschakelen vanwege het negatieve besluit van het UWV vormt geen grond voor volledige vergoeding. Ook is er geen ruimte voor aanvullende vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:88 Awb Pro. De aangevallen uitspraken worden bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; forfaitaire vergoeding bezwaarkosten bevestigd zonder aanvullende vergoeding.