ECLI:NL:CRVB:2018:3501
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing Nederlandse socialezekerheidswetgeving op Rijnvarende en regularisatieverzoek
Betrokkene, werkzaam als kapitein op Rijnvarenschepen, verzocht de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om toepassing van de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving over de periode 2011-2013. De Svb wees dit verzoek af omdat de Nederlandse wetgeving van toepassing was, gelet op de exploitant van het schip gevestigd in Nederland en het Rijnvarendenverdrag.
De rechtbank vernietigde het besluit van de Svb en oordeelde dat betrokkene niet verzekerd was in Nederland over de periode in kwestie. De rechtbank vond dat de Svb onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van doelbewust creëren van een formele werkelijkheid.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de Nederlandse wetgeving terecht van toepassing is en dat betrokkene redelijkerwijs vanaf 2009 duidelijk had kunnen zijn dat hij onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving viel. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank omdat deze ten onrechte zelf in de zaak voorzag en wijst de Svb op haar discretionaire bevoegdheid om nader onderzoek te doen naar bijzondere omstandigheden.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de redelijke termijn van de procedure met twaalf maanden is overschreden, waardoor betrokkene een schadevergoeding van in totaal €1.000,- toekomt, waarvan €750,- voor rekening van de Staat en €250,- voor rekening van de Svb. De Svb wordt tevens veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Nederlandse socialezekerheidswetgeving is van toepassing; Svb moet nieuw besluit nemen en betrokkene ontvangt schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.