ECLI:NL:CRVB:2018:3573
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om toekenning Wubo wegens ontbreken blijvende invaliditeit door korte internering
Appellant, geboren in 1939, verzocht om toekenning van uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Na eerdere afwijzing werd in 2015 erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld door internering in een klooster tijdens de Bersiapperiode, maar werd geen financiële aanspraak toegekend wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit.
De Raad beoordeelde of de internering van maximaal vier dagen in oktober 1945 heeft geleid tot blijvende invaliditeit. Medische adviezen van geneeskundig adviseurs stelden dat de psychische klachten niet aan deze korte internering zijn toe te schrijven, maar vooral aan gezinsomstandigheden en andere ervaringen buiten de Wubo-werking.
Appellant voerde aan dat het rapport van een eerstelijnspsychologe anders wees, maar de Raad vond dit onvoldoende omdat deze niet uitsluitend de relevante periode van internering had meegewogen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vervallen causaliteitsvereiste voor ouderen faalde.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit deugdelijk is voorbereid en gemotiveerd, en verklaarde het beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de korte internering niet heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.